lost

There is nothing worse than losing your words, your past, your memory.. for words you have once spoken will not come back to you.. for memories that are forgotten cannot, will not, be remembered.

Preditors

De basisbehoeften van een mens zijn gemakkelijk te vervullen: drinken, eten, warmte. Dat alleen is genoeg om ons in leven te houden, dus waarom verlangen we naar meer? Wat voor nut heeft het, ons te kwellen met die hang naar genegenheid, naar contact, naar de liefdevolle aanraking? 

Eeden deed alles om het tegen te houden. Memories are not built to last. Zolang ze gevoed was, warm was, was ze voorzien. Van mensen afhankelijk zijn.. nee, nooit. Zij was de koude en de kille. Zij speelde met haar prooien, zij was niet de prooi. Maar in andere oorden zijn er andere roofdieren, en als je niet vlug genoeg bent, of niet berekenend genoeg, val je zelf ten prooi. En, geef toe, wat voor verweer bestaat er tegen tederheid? Wat is het wapen tegen een kus? 

 'Wanneer zie ik je weer?' had hij gevraagd, haar gezicht in zijn handen. 
'Snel,' had ze geantwoord.
Ze meende het.

Ook al geloofde Eeden het niet toen haar werd verteld dat ze mooi was, ze wilde het graag. Hij kuste haar, en ondanks zichzelf kuste ze hem. Het vreemde vertrouwde gevoel tussen hem en haar maakte dat ze niet bij hem weg wilde. Het was als een oerinstinct, haast iets beestachtigs. Ze was niet zeker of het lichamelijk was, of ook méér dan dat. Het maakte niet uit. Haar lichaam overheerste haar op het moment, alsof ze gedrogeerd was. Ze kuste hem nog eens, en vroeg zich af hoe veel ze toe zou laten. Veel, wist ze.

Ook de dagen erna verlangde ze naar zijn kus, zijn warme lijf, zoals je verlangt naar warme thee of een goede maaltijd. Haar lichaam schreeuwde om zijn aanraking.

Als het dan zo lichamelijk was, waarom maakte het haar dan zoveel uit dat hij uitgekeken was op zijn prooi? Waarom zocht ze niet gewoon een nieuw roofdier om ten prooi aan te vallen? Of was ze, in alle kinderlijke onzekerheid die haar elke dag weer plaagde, bang dat er niet nog iemand was die haar gezicht in zijn handen zou nemen en haar zou vragen wanneer hij haar weer zag? Was ze bang dat er niemand maar zou zijn die haar mooi zou vinden? Nog altijd voelde ze de zweren kloppen, haar lelijkheid, haar schoonheid, een titanenstrijd tot de tijd vanzelf de winnaar kiest?

Misschien was het ook wel te makkelijk. Was het dan zo naief van Eeden om te denken dat ze het wel eens een keer had verdiend, dat het makkelijk zou zijn?

Naieve Eeden, you should have been protecting your heart. It was not him, it was the physical attention. And physical attention you can get from every man who listens to his between-his-legs rather than his heart.  

braafheid

De zon laat zo stilletjes zijn schijnsel toe. In de nachten wuift een bries ons toe, wat de dag niet geven kan. De opwinding is groot, de verwondering nog groter. Hoe kan iets, dat zo concreet lijkt, zo betoverend zijn? Hoe kan een begrip als toekomst ineens meer op een keuze lijken, dan op het onvermijdelijke? Wie heeft het besef zo veranderd? Nog belangrijker, het is ons ineens gegund ons aan elkaar te hechten. Beiden zijn we verbaasd.
‘Als ik naar je kijk, word ik gek,’ zegt Bram.
En ik ook. Ik kan niet ophouden met stralen, gloeien, het liefste zou ik het uit willen gillen. Elke gedachte gaat uit naar hem, naar dat ene waar ik aan denk voor ik slapen ga en wat me in alle vroegte wekt. In plaats van op de grond te blijven, lijkt het alsof ik stiekem een trap beklim, die mij uitzicht geeft over de mooiste landschappen. Wakend over dit geluk, gaat de reis vooruit. Het stilstaan is voorbij. Er is niets behalve ik. Elke dag doe ik duizend dwaze dingen, en het een maakt me nog gelukkiger dan het andere. Ik snijd door wat mij verbond met de stenen,  met het stilstaan. Ik dwaal over het water, kleed me uit en laat me zien. Ik laat me gelden. Ik word langzaam krankzinnig. En ik vind het heerlijk!

 

Fingertips

Words are dropping of your fingertips.
I'm licking the words of your fingertips.
See the fairies dance on my eyelashes
Feel the endless devils on my tongue
Endure the struck of silver lightning
And hold close what is so dear to you

Carry me if I can't walk
Lend me your eyes if I can't see
Tell me a lie if the truth is too ugly
Make the world
Bearable
No - Make the world
JOYFUL!
And let me lick the sweet sweet words
Of your pretty fingertips




Dus.

Aan de stille
Ooit gewaardeerde, maar nu stille. Ik was op een helling van sissende woede. Een tijd lang, een lange tijd. Ik rolde de woede  verder in. Liefde was er nooit, dus er is niets om te verbreken. En toch. Sinds je de waarde van geld kent, ben je de waarde van vriendschap uit het oog verloren. In jou komt het niet op ook naar iets anders te kijken dan een spiegel. Jij en ik waren ooit op dezelfde plek, maar nu mijlenver uit elkaar. Jij was ooit een pilaar in mijn leven, een steunmuur van mijn huis. Nu blijk je slechts van karton. Hol. Ooit kon ik niet buiten jou. Nu is het een belasting je te woord te staan. Te vaak heb je me nu in mijn maag gestompt. Niet door me te misbruiken zoals anderen vroeger. Niet door me te kleineren, domineren.
Maar simpelweg door me te negeren, en door me te behandelen als iemand die wel luistert en je problemen voor je oplost. Ik ben ook een volwaardig mens.
Ik wil niets  verbreken, dat klinkt zo definitief. Maar als het verbroken zóu zijn, denk ik niet dat ik je missen zou.


anger

If we go on like we did, there's nothing to worry about anymore in the future. Then they will be gone. One by one, they will perish. An entire generation will vanish simply because we don't care enough to let them live.
I did everything I could.
I don't understand how no one cares.
I don't understand how we all watch them die.
It tears me apart and it makes me very, very angry.

DIEPTE

Mijn gelaatstrekken verraden niets, zoals een golf de diepte van de zee niet weerspiegelt. Ik hoop je naar binnen te lokken, en je te doen verdrinken in mijn volume. Schuw me niet, omdat ik een nevelige schim van mezelf ben. Jij kunt me weer inkleuren.

het ontwaken

Na verloop van tijd kreeg ze zweren in haar voeten, zo groot, bloedend en etterend, dat ze niet meer van haar plaats kwam. Ik droeg haar 's ochtends van het bed naar de sofa, en 's avonds weer terug. Ze was bang voor de pijn die het lopen haar zou doen.
'Mijn voeten willen me niet meer dragen,'  verzuchtte ze.
Ik deed mijn best voor haar, maar dragen was het enige wat ik voor haar kon doen. En ineens, kwam er plotseling die dag. Ik was weggeweest, en verwachtte haar bij thuiskomst op de bank uit het raam te zien kijken.
Eeden zat niet op de bank. Eeden stond, op de vloer van de kamer en stampte beide voeten hard op de grond. Ik liet de spullen die ik droeg uit mijn handen vallen en rende naar haar toe. Zij leek me niet te zien en stampte door. Om haar lag een klein plasje bloed, afkomstig van de zweren van haar voeten.
'Dee!' 
Ze keek me nu aan, en er ging een rare schokgolf door mijn buik. Dat vertrokken gezicht! De tranen in de ogen, waarschijnlijk van de pijn, de wenkbrauwen in een frons, een pijnlijk grimas. Voelen!
' Matte! Ik - laat - het - niet - meer - toe!'  (ze stampte nog steeds)
' Ik - heb - zo-veel bereikt! Ik laat NIET- toe, dat - het - me pakt! Ik - ben - boos! Ra-zend! RA-ZEND! Ik - voel - het! Ik - VOEL - het!'
Ze hijgde en bleef stampen.
' Ik - ben - op - zo-veel - plek-ken ge-weest! ALLEEN! Ik - ben - EI-GEN  - baas! Niet - dit! Ik - wil! Ik - vecht! VECHT!'
Ze stond even stil.
'Tijdens al mijn reizen...' hijgde ze. ' wilde ik.. het maximale uit elke... dag halen! En nu.. wil ik de dag... alleen maar doorkomen! Niet meer!' 
Ze lachte hard.
'Niet meer nu! Ik sla terug! Ja! JA!'
Ze begon te springen, hoog, ze landde hard op haar pijnlijke voeten, maar ik had het idee dat de lichamelijke pijn heel goed bij haar woede paste. Ze bleef schreeuwen, kreten van woede, blijdschap, angst, bevrijding, ergernis. en ik keek, en met haar voelde ik de groei en het besef en voelde ik ergens wat Dee moet voelen. later die avond, toen het over was, verzorgde ik haar voeten en droeg haar weer naar boven. Zij sloeg haar armen om me heen en glimlachte. Ik voelde haar lichaam, en had voor het eerst sinds een lange tijd niet meer het gevoel het dode gewicht van een zwak dier te dragen.

Een paar dagen daarna liepen we rond het huis. Ik had al opgemerkt dat hoewel ze bijna niet sliep en schor was van haar uitbarsting, ze meer lachte dan de voorgaande tijd.
Ineens zei ze: ' Ik heb er weer zin in.' 
Ik lachte terug, maar antwoordde niet.
De dag daarna holde ze samen met Zoe,(een van Brams kinderen) een pompoen uit, stak er een kaars in, verzamelde bladeren en takken en legde dit binnen samen op een schaal.
' Mooi he,' vond ze.
Nog weer een dag later vroeg zeze me ineens vanalles, hoe dingen gingen, hoe ik dingen deed, en deed ze dan samen met mij. Ze hoorde meer, luisterde meer, en ik vroeg meer van haar. Ik kon iets meer van haar en haar kennis en ervaring op aan.
Ik zei haar dat, en zij zei, na een lange bedachtzame stilte:
'Ik heb er weer zin in. Mezelf mooi maken, het huis mooi maken, reizen maken. Lachen. Praten. Maar vooral vechten. Jouw hulp gaf me het harnas, maar vechten doe ik. De zweren zijn kapot. Pijn deed het, maar ik loop weer. Spring weer. Ondanks alles. Ik heb er weer zin in.' 

One day I broke my mirror and imagined I was pretty

‘Bram, hoe is dit eigenlijk zo gekomen?'
‘Wat, meisje, wat is gekomen?'
‘Dit. Dat wij onze minuten delen. Bij elkaar zijn.'
‘We zijn bij elkaar omdat, meisje, ik hier ben en jij ook.'
‘Vind je dat fijn?'
‘Fijn? Fijn vind ik het als het warm is, als er een bed is daar waar ik slapen wil, als ik geen honger lijd. Dat is fijn, meisje.'
‘Is het dan toeval dat je ervoor kiest in mijn nabijheid te zijn?'
‘Jij kiest ervoor in mijn nabijheid te zijn. Ik niet, meisje, voor jou.'
‘Ik heb een naam, en die luidt Eeden,' zei ze plotseling.
‘Voor mij niet. Voor mij ben jij een meisje.'
‘Een meisje? Wat houdt dat in?'
‘Dat jij een lichtje bent dat ik aan kan steken en kan doven.'
‘Je kan toch elk lichtje aansteken en doven?'
‘Ik heb ook meerdere lichtjes. Dacht jij dat jij het enige was? Ik heb zoveel kamers, die moeten allemaal verlicht worden.'
‘Ben ik niet anders dan de andere lichtjes die je hebt?'
‘De andere lichtjes zijn wandkandelaren, jij bent een lantaarn. Jou kan ik overal mee naartoe nemen.'
‘Ik volg.'
‘Ik neem je ergens mee naartoe. Je volgt, meisje, niet.'
‘Zeg je altijd "meisje" tegen me om me eraan te herinneren dat ik dat ben?'
‘Als je van een dier een lastdier wil maken, moet je het vaak bij de naam noemen. Dan luistert het beter naar je en heeft het minder slaag nodig.'
‘Een lastdier. Dat is een eigenaardig woord, Bram. Ben ik je tot last?'
‘Dat begrijp je verkeerd. Een lastdier draagt de lasten van haar meester.'
‘Welke lasten heb jij, die ik draag?'
‘Misschien heb ik geen lasten, maar wel lusten. En de last die je daarvan hebt, draag jij.'
‘Het is mijn verplichting naar jou toe. Je betovert me.'
‘Dat komt, meisje, niet door mij maar door jezelf. Jij bent nu eens een verstandige sterke wind, die de bomen buigt in de richting die jij voor ogen hebt, ongehinderd door emoties en sympathie en gevoelens van intense liefde. Dan weer ben je het trillend blad zelf, die de grond weet te raken na de lichtste bries, de regen wast je weg - je vergeet wie je bent, draait rondjes in jezelf en jou, en je ziet niets meer als het donker wordt. Ik betover jou niet; het is zelfbegoocheling.'
‘Dan zet jij mij ertoe aan.'
‘En ik ben, meisje, een meester in mijn vak.'
‘You'd be my hero, in another world, somehow...'
‘Ik ben, meisje, hoe dan ook je held.'
‘Als ik vanavond weg zou gaan, zou je dan aan me denken en hopen dat ik gauw en veilig thuis zou komen?'
‘Je gaat alleen weg als ik het zeg, en ik zeg dat je niet weggaat.'
‘Wil je graag dat ik blijf?'
‘Hou je mond.'
‘Waarom mag ik dat allemaal niet zeggen?'
‘Ik tover stille woordjes uit je mooie mondje. Niet meer praten nu.'
En ze praatte niet. Ze zat voor hem. Wiegde zo nu en dan heen en weer. Toen er te lang niets gebeurde en ze verveeld raakte, kleedde ze zich langzaam voor hem uit. Ze voelde hoe zijn ogen over de huid dropen, als stroop, of traag warm zand, of haar eigen bloed?
‘I may not be pretty, I may not be perfect, but I am needed when people get distracted...'
Hij reageerde er niet op en zij droeg de eerdergenoemde lasten. Direct daarna liet hij haar achter. Ze zei hem gauw en veilig thuis te komen. Ze dacht aan hem. Het werd langzaam licht...

"My body seemed to heat up in what must have been less than a second. It could not be... Could it? When he saw me, he made an almost obligatory hand gesture, without smiling. I returned it but did smile and I kept looking at him. Until he was gone. He didn't look back. He took a part of me with him; the part of common sense, and that of emotional independency. It is amazingly interesting, that one person can mean this much to someone else... unintentionally."

 

Uitgekleed


En iedereen weet wat goed voor me is.
Ik tril.
Ik denk.
Alles raast in mijn hoofd.
Terwijl ze zeggen; 'het komt wel goed.'
Ik sla de deken om me heen. Niets doet er toe. Ik kan niet slapen omdat ik moet bewegen. Ik ben moe omdat ik niet kan slapen. De wereld trilt mee. Geduld om iets te doen heb ik niet. Ik lees boeken over verre reizen, maar zie alleen de vier muren die me omsluiten.
Mijn veiligheid.
Af en toe kijk ik uit het raam. De dag vordert. De minuten tikken voorbij. Als het donker wordt, is er weer een dag voorbij.
Ze zeggen dat het wel goed komt.

Wat zijn mensen eigenlijk kwetsbaar; ze zien helemaal niets in het donker.

Lopen leren

"Verdomme Matte, een kind dat net heeft leren lopen sla je toch ook niet tegen de grond?"

Au

En natuurlijk, op zo een dag kán alleen maar een dag volgen waarop alles onmogelijk lijkt en je geen idee hebt waar je het nog vandaan moet halen. Teleurgesteld, en boos omdat het niet sneller gaat dan het gaat. Maar misschien moet ik af en toe gewoon afgeremd worden en eraan herinnerd worden dat ik in deze stroom niet hoef te zwemmen, maar me gewoon moet laten meevoeren en zien waar ik uitkom. En wanneer. Ik heb de leiding niet. Ik geef me over.
Wat een onmogelijke dag.
Hoge bergen kennen diepe dalen, zo blijkt. En vallen doet nog steeds pijn. Hard vallen doet heel veel pijn. Vooral als de blauwe plekken en schrammen en korsten net een beetje lijken te helen. O ja, zo voelt bloeden. Ik was het in mijn enthousiasme haast vergeten. Ik durfde net weer te dromen. Te denken aan morgen. Nu is het morgen en ik ben het alweer kwijt. Au, zeg.


'To whom much is given, much is required.'

Andere dag, ander verhaaltje

En wat er vandaag ineens gebeurde? Ik liep buiten, en in plaats van dat ik naar de grond keek, keek ik omhoog en om me heen. En ik zag dat er zoveel was om opgemerkt te worden! Waarom keek ik altijd naar de grond? Ik glimlachte en besefte dat ik het vaker moest doen want ik voelde het direct; een soort van energie, warmte... En op datzelfde moment voelde ik mijn voeten die de grond raakten en zelfverzekerd hun stappen zetten, de weg kozen. Ik voelde me groot, groter dan ooit eigenlijk. Ik voelde welk stukje van de aarde mijn lichaam in beslag nam, door daar gewoon te lopen, en ik vond dat dat gerechtvaardigd was, dat ik dat mocht. Ik glimlachte nog een keer, en nog een keer en het voelde alsof de wereld helemaal van mij was. Als je me toen had gevraagd hoe het met me ging, had ik waarschijnlijk gezegd; 'Best goed eigenlijk. Nee, goed. Het gaat heel goed.'

Chaos

Ik scheur mij open, en alles ontsnapt.

Eeden zegt het

'Waarom, meisje, zeg je nooit eens wat je wil zeggen?' vroeg Bram haar op een van hun reizen. Het was avond, donker, en ongenadig koud. Ze zaten dicht tegen elkaar aan, en warmden zich aan elkaars lichaam, omdat hij het niet nodig had gevonden een deken mee te brengen. Kou moet je voelen.
'Ik zeg altijd wat ik wil zeggen!' protesteerde ze.
'En hoe weet jij dat dan, hoe weet jij wat je wil zeggen?'
'Dat bedenk ik me.'
'Dat bedenk jij je? Dat bedenk jij je? Ik, meisje, ken een kindje en dat heet Joshua. En Joshua, Joshua kan niet praten. Hij bedenkt zich wat hij wil zeggen maar onderweg naar buiten gaat er iets mis en dan hoor ik alleen maar geluidjes en geen woorden. Hoe denk je dat hij zegt wat hij wil zeggen?'
Ze zweeg, zoals ze altijd deed als iemand haar de les proeerde te lezen.
'Ik vroeg je wat!'
'Ik weet het niet.'
'Ik wel. Als hij wil zeggen dat hij blij is, dan lacht hij. Is hij boos, dan gromt hij. Als hij verdrietig is dan huilt hij en als hij wil zeggen dat ie van iemand houdt, dan pakt hij die stevig vast.'
Ze zweeg weer.
'Zwijg niet zo!'
Maar ze bleef stil.Ze kon geen woorden bedenken.
'Ik weet niet waar jij het lef vandaan haalt zo te zwijgen, maar ik sla het er wel uit!'
De duivel ontsnapte.


'Ik snap het,' zei ze later zacht. 'Jij bent boos. Jij gromt alleen niet. Jij doet dat anders.'
'Ik wás boos. Nu is het weg. Wanneer was jij boos? Jij bent nooit boos.'
Ze droogde haar tranen en ging nog iets dichter tegen hem aan zitten. Ze streelde hem over zijn rug.
'Nee, niet je traantjes nu al drogen. Gewoon huilen.'
En zij huilde, en hij troostte haar.
'Wat wil je nou zeggen?' vroeg hij.
'Dat ik bij jou wil zijn,' zei ze.
'Waarom is dat zo moeilijk?'
'Omdat ik bang ben voor wat jij denkt als ik zeg wat ik denk, en wat ik dan weer voel als jij zegt wat je denkt.'
'Dat is zo veel onzin.'
'Ja. Alles is onzin. Mensen zijn bang voor gedachtes, gevoelens, en wat andere mensen denken en voelen. We zeggen niet wat we willen zeggen, we doen niet wat we willen doen. We zijn de verbinding met onszelf volledig kwijt, we kunnen alleen nog maar denken, denken, denken. Maar weet je? Uiteindelijk hebben wij het niet voor het zeggen. Wij zijn maar zó klein. En uiteindelijk worden we opgeslokt in de oneindigheid, niet alleen jij en ik, maar iedereen. Niet nu, en niet snel, maar het gebeurt. En als we ons moeten overgeven aan iets zoveel groter dan onszelf, waarom laten we ons dan zo beheersen door onze eigen vrees en beperkingen? Waarom kunnen we niet gewoon doen wat we willen, juist op het moment dat we het willen? Waarom zouden we niet kunnen reizen van moment naar moment, situatie naar situatie, elke dag wat anders, zonder te denken aan wat we gewend zijn? Niet denken, maar gewoon voelen  en dan doen!'
'Doe dan, Eeden.'
Ze keek hem met vuur in de ogen aan, knikte, gaf hem een kus op de mond, en zei; 'Ik hou van je.'
Toen stond ze op en beende weg.
'Waar ga je heen, waar ga je naar toe?'
'Naar Matte!'



Elke dag een verhaaltje

Omdat ik dat meisje ben dat geen ruzie kan maken. Dat altijd wegloopt. Al als jong kind bleek dat mijn tranen sneller waren dan mijn woorden. Erger dan dat was dat ik mij aan iemand kon hechten zoals stof aan een vochtige wond. Als men die stof lostrok was ik radeloos en steeds weer een stukje meer beschadigd. En zo werd ik het meisje dat haar eigen gezelschap meer op prijs stelde dan dat van anderen. De angst om gekwetst te worden was vele malen groter dan de angst voor de eenzaamheid. Want roepen dat niemand je begrijpt is zoveel makkelijker dan tonen wie je werkelijk bent. De verwachtingen waren altijd hooggespannen, maar dat gaf niet, omdat ik het ook waar kon maken. Wat dat met mij deed? Ik weet het niet. Jarenlang heb ik mezelf verdoofd, omwille van mezelf. Gevoelig ben ik wel, haast op het dramatische af. Maar juist de woorden die mij wanhopig probeerden te bereiken, weigerde ik te horen. Woorden als 'ik kan het niet', 'ik ben bang', 'het is teveel'- nooit zou ik die uitspreken. Ik ben niemand iemand die iets opgeeft. Ik ben niet iemand die iets half doet, ik doe iets meer en meer dan volledig. En ik ken de grenzen niet. Nu nog steeds niet. Ik voel het niet. Ik voel het niet.

Eerst dacht ik dat het verdriet was. Dat ik daarom zo graag huilde en zo graag getroost wilde worden. Maar heel, heel langzaam begint me duidelijk te worden dat ook woede me parten speelt. Misschien wel juist woede. Misschien is elke vezel in mijn lichaam wel onmetelijk boos.

Nooit kon ik ruzie maken. Nooit heb ik kunnen zeggen dat ik me gekwest voelde. Ik kneep mezelf altijd in mijn hand, zodat de pijn me afleidde van de tranen die in mijn ogen prikten. Ik wendde mijn blik af, zweeg, beet op de tong. En kneep de woede van me af. Eenmaal heb ik, huilend, schoorvoetend toegegevn dat ik me gekwetst voelde, bij iemand bij wie ik me het meest veilig voelde. Het was een ongelooflijke stap voor mij.
'Dat kwetst me, als je dat zegt...'
'Ik word ook wel eens gekwetst,' was het antwoord.

Sindsdien is het stil.

Spell

'I wish a wizard would send me back to where I was when I was a helpless child; the grown-ups would take care of me, and I would start over again and do it all a little better.'

Matte vertelt

Ze kon dagen achtereen zwijgen, maar in haar ogen was een soort van trouw die woorden nooit zouden kunnen dragen.
Ze tekende en kleurde veel, ik las haar sprookjes voor en speelde op de harp of luit. Ik spoorde haar aan korte wandelingetjes te maken, zodat ze kon merken dat de zomer over was gegaan in herfst. De bladeren werden geliger aan de randen, maar meer nog dan dat; het rook anders. Het beviel me, en ik vroeg me af of het haar ook beviel. Als we liepen was ze vaak diep in gedachten. Soms keek ze om zich heen, alsof ze de omgeving voor het eerst zag. 's avonds hoorde ik haar vaak prevelen, ofwel in haar slaap, ofwel in een poging om in slaap te komen. Ik verstond haar niet, maar af en toe meende ik haar 'mother' te horen zeggen. Ik wist niet of ze daarmee haar eigen moeder bedoelde, of misschien een hogere vorm van een moeder, een beschermvrouwe.. Ik vroeg het haar niet. En langzamerhand begon ik vertrouwd te raken met de zwijgzaamheid. Ik werd steeds beter in het communiceren zonder woorden. Ik praatte tegen haar alsof ze gewoon terugpraatte, in haar ogen kon ik de antwoorden zien die ze me had gegeven als ze had kunnen spreken. Ik merkte dat ze het waardeerde, de manier waarop ik met haar omging. Heel even dacht ik soms dat ze zou gaan spreken; dan keek ze me aan op een zo natuurlijke manier dat ik overtuigd was haar stem weer te gaan horen. Maar vaker nog was ze ver, ver weg, en zat ze de hele dag op de grond, apatisch, en maakte ze geen contact. Ze reageerde niet op mijn verhalen en vragen, en als ik haar in de ogen keek, leek ze dwars door me heen te staren. Uit wanhoop heb ik haar eens een klap in het gezicht gegeven, en ze viel om omdat ze niet stabiel had gezeten en er niet op bedacht was geweest. Ik schrok er erg van toen ze geen enkele reactie gaf. Geen verontwaadiging, schok of woede - niets. Het voelde alsof ik een lappen pop had geslagen. Zij bleef roerloos en met open ogen liggen, en ik tilde haar uiteindelijk maar weer op de bank en dekte haar toe met de oude rafelige deken. Omdat ik me schuldig voelde bleef ik die nacht bij de bank zitten, en sliep niet.
Ik vond dat ik dat verdiende.

De wereld voor een leven

"De wereld voor een leven! Alles, alles zou ik geven, wat ik nu heb. Ik hoef geen verre reizen te maken. Ik hoef geen liefde en intimiteit. Ik hoef geen waardering. Ik wil niet dat mensen me mogen. Ik hoef niet rijk te zijn. Ik heb geen mooie kleren nodig. Ik hoef geen warmte. Geen fijn huis. Vrienden heb ik niet nodig. Mijn ambities gooi ik zonder moeite over boord. Ik zal niets, niets meer vragen, als ik maar kon leven zonder angst en tranen, met andere woorden, als ik maar leven kon! Als ik maar weer genieten kon van de kleinste, kleinste dingen. Als ik maar weer rustig was, als ik mij maar weer kon vervelen! Als ik maar leven kon..'
De dagen waren gekomen dat Dee niets meer zelf deed. Zó was ze in de greep van zichzelf. Matte voedde haar, kleedde haar aan en uit, zorgde voor haar. Ze praatte niet of nauwelijks. Reageerde vaak niet als Matte haar wat vroeg. Hij had geleerd zijn vragen zo te stellen, dat ze alleen maar hoefde te knikken of haar hoofd hoefde te schudden. Soms was ze zo ver weg, dat ze tegen zichzelf fluisterde : 'Laten ze me maar opsluiten.'
Maar, ze kende ook haar momenten van buitengewone helderheid. Dat gaf Matte hoop.
'Ik kan er niet meer tegen... Ik kan er echt niet meer tegen. Vroeger kon ik alleen maar aan nu denken en erover fantaseren. Nu kan ik alleen maar terugdenken, met bittere weemoed, aan de tijd dat ik nog niet de schim was die ik nu ben. Hoe heb ik de tijd weg kunnen wensen, toen het leven nog zo simpel en gemakkelijk en goed was?'
'Lieverd..'
'Soms vraag ik me af of ik hier iets van moet leren. Of ik misschien geen goed mens was, en daarvoor word gestraft.. Maar ik zweer je, als ik zonder angst en tranen zou zijn, dan zou ik elke dag gelukkig zijn, dat heb ik mezelf beloofd. Elke dag zou ik met opgeheven hoofd terugdenken aan deze periode in mijn schulp, en aan de dag dat ik daar uitkwam en grenzeloos gelukkig werd.. Maar het is zo moeilijk te geloven dat die dag nog gaat komen..'
'Ik beloof je dat die gaat komen.'
'Ik mis mij zo,' zei ze zacht.
'We missen haar allemaal.De wereld voor mijn Eeden.'

Eenmaal binnen

Hij leidde haar naar binnen, haalde thee voor haar en een warme deken, die hij om haar broze schouders sloeg.
'Au, au, au,' huilde ze.
Hij sloeg de armen om haar heen en drukte haar zo dicht tegen zich aan dat hij bang was haar zwakke lijfje in tweeën te breken.
'Doet het pijn?' fluisterde hij.
'Ja,' snikte ze, 'Ik ben zo bang.'
Hij antwoordde niet.
'Wil je me een verhaaltje voorlezen, Matte?' vroeg ze.
Hij keek naar haar en de volwassen vrouw die hij zag was slechts een leeg omhulsel. In de donkere ogen zag hij het verdriet van een kind. Een klein, bang meisje, dat opkeek tegen grote mensen, die graag voorgelezen wilde worden voor het slapengaan - had hij ooit het bed met haar gedeeld?
'Welk verhaaltje, Dee?'
'De prinses op de erwt.'
Matte pakte het grote sprookjesboek, vergeeld en stoffig. Hij keek niet naar Dee en begon te vertellen. Hij merkte dat er iets veranderde, zodra de woorden zijn lippen verlieten. De kamer tolde om hen heen en andere indrukken werden buitengesloten; geur, zicht, andere geluiden. Alleen nog zijn eigen stem, die rustig een sprookje las. Wat er gebeurde, was dat het sprookje op dat moment de enige waarheid was geworden. Alsof het sprookje alle woorden bevatte die nodig waren in een mensenleven, sterker nog, alsof dat de enige woorden waren die bestonden. Het leven leek eenvoudiger dan ooit. Hij keek naar Dee, en zag dat ze zich in foetushouding had opgerold, tegen hem aan, haar duim in de mond.
Na de laatste woorden van het sprookje duurde het even voor de kamer terugkwam; het smeulende vuur, de warmte en het licht. Matte leek te ontwaken uit een lange slaap.
'Nog een,' zeurde Eeden.
'Welke?'
'De keizerlijke nachtegaal.'
Hij bladerde even en de droom begon opnieuw. Niet alleen elk woord betekende iets voor hem, maar elke letter, elke klank. Hij was uitgeput, na dit tweede verhaal.
Eeden lag rozig tegen hem aan.
'Jij kunt goed voorlezen,' zei ze.
Hij streelde haar haar, en wachtte simpelweg tot ze in slaap viel. Hij tilde haar op, en bracht haar naar bed. Ze werd weer even wakker, maar was slaperig.Zelf was hij te  aangeslagen om nog beneden van een glas wijn en een boek te kunnen genieten, dus kleedde hij zich uit en ging naast haar liggen. Ze ging tegen hem aan liggen.
'Wil je me warmhouden, vannacht,' vroeg ze, de ogen gesloten.
'Ik houd je warm.'
'Die zweren, Matte, die zijn zo gaan etteren. Daarom doet het zo'n pijn.'
Ze begon weer zachtjes te huilen.

You are my sunshine, my only sunshine, you make me happy, when skies are grey..

Matte was voor haar gaan zingen, omdat hij verder ook niet wist wat hij anders kon doen. Dat raakte haar nog meer, en hij kon de zweren bijna zien kloppen, de pus ruiken... Maar alleen Dee voelde de pijn. Ze huilden zich samen in slaap.